Roman: Een stem in de ruis
De radio stond op de vensterbank, tussen een stapel schoolboeken en een asbak. Het was een eenvoudig toestel, grijs plastic, met een metalen antenne die alleen rechtop bleef staan als hij hem tegen het raamkozijn liet rusten. Overdag speelde zijn moeder er Hilversum 3 op. ’s Avonds, wanneer het huis stil was geworden, nam hij de radio mee naar zijn slaapkamer.
Dan begon het zoeken.
Hij draaide langzaam aan de afstemknop. Niet te snel, want tussen twee bekende zenders kon iets verborgen zitten. Een flard muziek. Een stem. Een draaggolf die er gisteren nog niet was geweest.
Die avond hoorde hij eerst alleen de gewone zenders. Heldere stemmen, nieuwsberichten, keurige aankondigingen. Daarna kwam de ruis. Hij draaide verder, millimeter voor millimeter.
Plotseling klonk een basdreun uit de luidspreker.
Hij hield zijn hand stil.
De muziek verdween weer onder een golf van geruis. Hij boog zich naar de radio en draaide iets terug. Nu kwam het opnieuw tevoorschijn. De hoge tonen kraakten. Bij iedere beweging van zijn hand veranderde de ontvangst.
Hij trok de antenne volledig uit en richtte hem naar het raam.
De muziek werd sterker.
Toen de plaat eindigde, volgde geen keurige omroepstem. Eerst klonk een korte stilte, daarna een jingle met galmende stemmen en een geluid alsof er een raket werd gelanceerd.
“Je luistert naar de heetste muziek op FM…”
De naam van het station verdronk half in de ruis.
Daarna sprak een jonge man. Hij klonk opgewekt en haastig, alsof hij midden in de nacht een geheim vertelde dat niet tot de ochtend kon wachten.
“Tien minuten over elf. Voor iedereen die nog wakker is: blijf erbij. Straks de nieuwe van Prince en nu eerst deze voor Monique uit de Parkstraat. Bedankt voor je telefoontje.”
De volgende plaat begon.
De jongen keek naar de radio alsof er iemand in het toestel verborgen zat.
Monique uit de Parkstraat. Hij kende die straat. Op de fiets was het nog geen tien minuten. De stem kwam niet uit Hilversum. De man die zojuist had gesproken, kon ergens in dezelfde stad zitten. In een bovenkamer, een garage of een leegstaand bedrijfspand. Misschien keek hij uit over dezelfde daken.
De jongen pakte een schrift van school. Achterin schreef hij de datum en het tijdstip. Daaronder noteerde hij zo goed mogelijk de frequentie. De wijzer stond ergens tussen twee cijfers in.
Hij luisterde verder.
Het station draaide platen die hij nergens anders hoorde. De dj praatte over een feest in een jongerencentrum en feliciteerde een snackbarhouder met de opening van zijn nieuwe zaak. Daarna kwam een reclame. De tekst werd voorgelezen boven een instrumentale melodie. Een garagebedrijf bood gebruikte auto’s aan. Een stem met overdreven galm noemde het adres en telefoonnummer.
Het klonk onhandig en professioneel tegelijk.
Soms viel het signaal bijna weg. Dan kwam een andere zender erdoorheen, met een klassiek concert of een Franstalige stem. Maar telkens keerde de jonge stem terug. Dichterbij dan alle andere stemmen op de band.
De jongen ging op bed liggen en zette de radio naast zijn kussen. Hij draaide het volume zo zacht dat zijn ouders het niet konden horen. Lang nadat hij had moeten slapen, luisterde hij naar onbekende platen, verzoekjes en jingles. Hij wachtte telkens op de naam. Tegen middernacht verstond hij hem eindelijk.
Hij schreef de naam met hoofdletters in zijn schrift.
Daaronder zette hij een streep.
De volgende avond was het station verdwenen.
Hij zocht dezelfde plek op de schaal af, eerst langzaam en daarna ongeduldiger. Er was alleen ruis. Hij controleerde de antenne, liep met het toestel door zijn kamer en zette het op de kast. Niets.
Had hij de frequentie verkeerd genoteerd? Misschien had het station nooit bestaan en had hij een verre zender ontvangen die door een toevallige weersverandering hoorbaar was geworden.
Twee dagen later was het terug.
Vanaf dat moment kreeg het station een plaats in zijn leven. Hij ontdekte wanneer de verschillende programma’s begonnen. Hij herkende de dj’s aan hun stem. Op zondagmiddag konden luisteraars platen aanvragen. Eén dj draaide nieuwe Amerikaanse importplaten. Een ander had een voorliefde voor oude soul.
De jongens op school kenden het ook. Tijdens de pauze wisselden ze frequenties en namen uit.
“Die zit ergens bij het industrieterrein,” zei de een.
“Welnee,” zei een ander. “De studio zit boven een café.”
“Mijn broer kent iemand die er draait.”
Iedereen kende iemand die iemand kende. Niemand wist precies wie erachter zat.
Er gingen verhalen rond over geheime zenders op hoge flatgebouwen. Over kabels die door ventilatiekanalen liepen. Over studio’s die binnen enkele minuten werden leeggehaald. De Radio Controle Dienst zou busjes gebruiken met antennes op het dak. Zodra zo’n bus in de stad werd gezien, belde iemand naar de studio en verdween het station uit de lucht.
De jongen geloofde niet alles. Hij onthield ieder verhaal.
Van zijn spaargeld kocht hij cassettebandjes. Wanneer zijn favoriete programma begon, plaatste hij de radio naast een draagbare recorder. De opnamen vingen alles: de muziek, de jingles, het kraken van zijn bureaustoel en soms de stem van zijn moeder op de gang.
Later kreeg hij een cassettedeck waarmee hij rechtstreeks van de radio kon opnemen. Nu verzamelde hij fragmenten. Nieuwe platen, reclames en jingles. Hij spoelde ze terug en luisterde hoe stemmen over elkaar heen waren gemonteerd. Hoe een slagwerkroffel precies eindigde op de naam. Hoe galm een gewone stem veranderde in iets groots.
Hij begon zelf programma’s te maken.
Op zijn bureau stonden een platenspeler en twee cassetterecorders. Een klein mengpaneel had hij niet, dus moest hij improviseren. Hij startte een cassette, zette het geluid zachter en sprak in de ingebouwde microfoon van de andere recorder. Daarna plakte hij de fragmenten aan elkaar door ze telkens opnieuw op te nemen.
“Goedenavond,” zei hij met een stem die lager moest klinken dan hij werkelijk was. “Je luistert naar…”
Hij bedacht verschillende namen. Hij tekende logo’s in zijn schrift en maakte programmaschema’s voor een zender die niet bestond. Zijn slaapkamer werd de studio, het metalen frame van zijn bed de zendmast en de rest van de wereld zijn denkbeeldige luistergebied.
Maar de vrije radio bleef aan de andere kant van de luidspreker.
Tot hij op een zondagmiddag het telefoonnummer opschreef.
De dj las het snel voor. De jongen had alleen de laatste vier cijfers verstaan. Hij wachtte tot het nummer opnieuw werd genoemd en schreef de rest erbij. Een halfuur lang lag het briefje naast de telefoon in de gang.
Hij liep er een paar keer langs. Als hij belde, kon iemand anders in huis meeluisteren. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Een plaat aanvragen leek eenvoudig wanneer andere luisteraars het deden. Zelf bellen voelde alsof hij zonder uitnodiging een studio binnenstapte.
Uiteindelijk pakte hij de hoorn op.
De lijn ging twee keer over.
“Met de studio.”
Op de achtergrond hoorde hij muziek. Helder en hard, alsof er een deur naar de uitzending was opengezet.
“Hallo?”
Hij noemde zijn naam.
“En waar bel je vandaan?”
Hij vertelde in welke wijk hij woonde en vroeg een plaat aan die hij die week had gehoord. De man aan de telefoon schreef het op.
“Luister je vaak?”
“Bijna elke dag.”
“Mooi. Blijf erbij.”
Het gesprek duurde nog geen minuut.
De jongen legde de hoorn neer en rende naar boven. De plaat die op dat moment draaide, was bijna afgelopen. Hij ging voor de radio zitten, zijn handen op zijn knieën. De dj kondigde eerst een verzoek aan voor twee meisjes die aan het leren waren voor een proefwerk. Daarna groette hij een groep medewerkers van een café.
“En dan hebben we nog een nieuwe luisteraar aan de telefoon gehad…”
De jongen hield zijn adem in.
De dj noemde zijn naam. Daarna zijn wijk. Hij zei dat de volgende plaat speciaal voor hem was.
De eerste tonen klonken uit de luidspreker.
Beneden tikte de klok. Buiten reed een auto door de straat. In de huizen tegenover hem brandde achter enkele gordijnen nog licht. Stond daar dezelfde zender aan? Misschien hadden onbekende mensen zijn naam gehoord.
Vanaf die avond was het station niet langer alleen een geluid dat hij toevallig uit de lucht plukte. Hij hoorde erbij.
Hij ging vaker bellen. Soms nam een vrouw de telefoon op, soms een jongen die nauwelijks ouder klonk dan hijzelf. Hij stuurde een brief en ontving enkele weken later een sticker. Het logo was gedrukt in felle kleuren. Hij plakte hem aan de binnenkant van zijn slaapkamerdeur, zodat zijn ouders hem niet zagen wanneer de deur openstond.
De stemmen kregen gezichten. Tijdens een drive-inshow zag hij ze voor het eerst. Ze droegen spijkerjacks en stonden achter draaitafels op een geïmproviseerd podium. Ze bleken gewoner dan hij zich had voorgesteld.
Het maakte de betovering niet kleiner. Integendeel. Radio werd iets wat door gewone mensen gemaakt kon worden.
Na afloop bleef hij bij het podium staan. Hij bood aan te helpen. Niemand vroeg wie hij was. Een man wees naar een standaard.
“Neem die maar mee.”
Samen droegen ze de spullen naar buiten. Bij de bestelbus verzamelde hij al zijn moed.
“Ik zou ook wel iets bij de radio willen doen.”
De man keek hem aan. “Heb je ervaring?”
“Thuis maak ik bandjes.”
“Dat doet iedereen.”
De anderen lachten. Net genoeg om hem te laten blozen.
“Kun je platen opzoeken?” vroeg de man.
“Natuurlijk.”
“En koffiezetten?”
Hij knikte.
De man schreef een adres en een tijdstip op de achterkant van een reclamefolder.
“Woensdagavond. Niet aanbellen bij de voordeur. Je moet achterom.”
De studio bevond zich boven een bedrijf waarvan de naam nergens in de uitzending werd genoemd. Hij kwam via een steeg bij een metalen trap. Achter de deur hoorde hij muziek en stemmen. Binnen was het warm. Overal stonden platen, asbakken, lege koffiebekers en apparaten waarvan hij de functie niet kende.
Achter een glazen raam zat een dj. Voor hem stonden twee draaitafels en een mengpaneel. Aan de muur hing een klok met een rode secondewijzer. Een lampje brandde boven de deur.
Niet binnenkomen wanneer dat lampje brandt, werd hem uitgelegd. Niet aan de knoppen zitten. Geen namen noemen. Als iemand vroeg waar de studio zat, wist hij van niets.
De eerste weken nam hij de telefoon aan, zocht platen en bracht koffie. Hij leerde hoe een uitzending buiten de studio klonk en hoe ze werkelijk werd gemaakt. Hij ontdekte dat sommige jingles van banden kwamen die al door meerdere stations waren gebruikt. Hij zag hoe reclame-inkomsten in een schrift werden bijgehouden.
Soms ging plotseling de telefoon.
Dan veranderde de sfeer.
Er was een busje gezien. Iemand had mannen bij het gebouw opgemerkt. Een enkele keer werd de verbinding met de zender onmiddellijk verbroken. De muziek verdween uit de monitor en iedereen luisterde naar de stilte die achterbleef.
Meestal gebeurde er niets.
Op een avond vroeg iemand of hij het laatste uur wilde overnemen. Er was iemand uitgevallen en de anderen wilden naar huis.
“Maar ik heb nog nooit live gedraaid.”
“Dan wordt het tijd.”
Hij kreeg een stapel platen en een vel papier met reclames. De persoon wees naar de schuiven.
“Deze is voor draaitafel één. Die voor twee. Microfoon hier. Niet vloeken. Geen echte namen noemen. En laat geen stiltes vallen.”
Daarna ging de deur dicht.
Voor hem lag het mengpaneel. Links en rechts draaiden de platen. De secondewijzer van de klok bewoog onverbiddelijk verder. Door het glas zag hij niemand meer. Alleen zijn eigen bleke spiegelbeeld.
De plaat liep naar het einde.
Hij zette de volgende klaar. Zijn handen voelden zwaar. Alles wat hij thuis had geoefend, was verdwenen. De openingszin, de naam van de artiest, zelfs de naam van het station.
Het nummer eindigde.
Een seconde stilte.
Twee seconden.
Hij schoof de microfoon open.
Het rode lampje ging branden.
“Goedenavond,” zei hij.
Zijn stem kwam via de monitor terug. Dunner dan hij had gehoopt, maar helder. Op hetzelfde moment schoot hem te binnen dat die stem de studio al had verlaten. Het signaal reisde door een kabel naar een zender waarvan hij de locatie niet kende, klom via een antenne boven de daken uit en verspreidde zich over de stad.
Hij noemde de titel van de plaat. Daarna de naam van het station.
Hij startte de jingle en schoof de volgende plaat open.
Ergens, in een slaapkamer aan de andere kant van de stad, zat een meisje naast een radio. Een hand rustte op de afstemknop. Een schrift lag opengeslagen op bed.
Tussen twee officiële zenders klonk zijn stem uit het donker.
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd en mag niet worden gekopieerd.Weet jij hier meer over?
Vul dit hoofdstuk aan met je eigen herinnering, een foto of een opname.
Bijdrage insturen